Ferdinand Grapperhaus is hoogleraar Europees arbeidsrecht, Kroonlid van de Sociaal Economische Raad, Partner bij Allen & Overy, vader van vier, voetballiefhebber, ...

Lees meer

Gepost op 12 oktober 2015

Kapitalistische obesitas

Een jaar geleden liep ik door de straten van Yangon, Myanmar. Overwegend middellange mannen met een tanig postuur en tengere, slanke vrouwen. Benieuwd hoe het er nu uit ziet — nog beter: over twee jaar. Myanmar staat bovenaan de ranglijst van landen met het snelst groeiend aantal mensen met obesitas.

Het kan nog erger: in Australië heeft inmiddels 63% van de mensen last van ernstig overgewicht, in 2025 is dat 80%.

Het zal mondiaal alleen maar erger worden, met alle enorme economische kosten van dien. In het laatste rapport van de Verenigde Naties wordt heel duidelijk aangegeven hoe dat komt. Beschikbaarheid, prijs en reclameaandacht zijn de belangrijkste factoren in de verspreiding van de olievlek van junkfood. En tegen de megabudgetten van de Big Food multinationals zijn brave overheidsprogramma's om mensen voor te lichten over gezond voedsel bij lange na niet opgewassen.

Ondertussen weten welopgeleiden met een goed inkomen dat ze beter aan een gezond blaadje sla kunnen knabbelen, zodat ook ten aanzien van overgewicht een wereld van haves en havenots ontstaat — zij het hier dan in de omgekeerde zin. Het is een signaal dat kapitalisme mooi is, mits er grenzen aan worden gesteld. Een ander voorbeeld.

Farmaceutische bedrijven zouden volgens sommigen de prijzen van bepaalde gepatenteerde medicijnen kunstmatig hoog houden, gebruik makend van hun monopoliepositie. Maar ja, het wezen van een patent is nu eenmaal dat jij als uitvinder gedurende zekere tijd een monopolie op alle revenuen hebt. Als dat niet zo zou zijn, zou het in veel gevallen minder aantrekkelijk zijn om aan nieuwe productontwikkeling te doen.

Het is een ingewikkeld vraagstuk: hoeveel winst mag je naar je toe halen, en hoeveel moet je laten zitten ten behoeve van het grotere geheel? Een voorbeeld van wat mijns inziens in elk geval niet zou moeten worden toegelaten is wat een Amerikaans farmaceutisch handelsbedrijf doet. Het koopt patenten op van oude medicijnen en verhoogt vervolgens de prijzen drastisch. Rampzalig voor patiënten met lagere inkomens.

Maar goed voor de aandeelhouder, aldus de bestuursvoorzitter van dit bedrijf. Kennelijk heeft geen van die aandeelhouders aandoeningen waarvoor de opgekochte medicijnen dringend nodig zijn.

Het zou echt een apocalyptische nieuwe wereld worden wanneer een consortium van kapitaalverschaffers met de ene helft van hun geld Big Food bedrijven zou opkopen en met de andere helft patenten op medicijnen en behandelingen tegen ernstig overgewicht.

Zo neemt het uitdijende voedselkapitalisme langzamerhand ongezonde vormen aan. En zal de Wereldvoedselorganisatie dringend zelf op een streng dieet moeten ten aanzien van zijn doelstellingen op het gebied van gezonde voeding.

Gepost op 05 oktober 2015

Des petits princes

Omdat ik er nou eenmaal mee ben opgegroeid, vinden veel van mijn tegeltjeswijsheden hun oorsprong in de popmuziek. 'You've got your troubles I've got mine', denk ik bijvoorbeeld wanneer ik lees dat Air France op een nieuw loonconflict afstevent met zijn veel te dure piloten. De pilotenstaking van september 2014 kostte de Frans-Nederlandse luchtvaartmaatschappij € 500 mln — bizar dat deze Franse beroepsgroep zó buiten de werkelijkheid van de concurrerende markt leeft. Blind corporatisme, noemt Le Figaro dat.

Niet voor niets worden die piloten Les Petits Princes de l'air genoemd — een verwijzing naar het beroemde boek over een buiten de werkelijkheid levend jongetje. (Vorig jaar vloog ik tijdens mijn wereldreis van 100 dagen met zo'n 20 maatschappijen – Air France bevond zich daarbij op eenzame diepte qua slechte dienstverlening).

Nederlandse piloten zijn wel van deze tijd. Met hen kan KLM redelijke afspraken maken. Maar wij hebben andere problemen. Een regeringspartij bijvoorbeeld, die een vierdaagse werkweek voorstelt, zonder aan te tonen dat dat betaalbaar is, maar ondertussen geen vuist weet te maken als het gaat om de totstandkoming van een collectieve verzekering voor zzp'ers.

Nu speelt daar ook het prinsjesgedrag van zzp-organisaties een rol. Zij blijven de z van zelfstandigheid kritiekloos verheerlijken. Ondertussen vindt de instroom naar zzp-schap vooral plaats vanuit loondienst, werkloosheid en inactiviteit. Binnen vier jaar is de helft vervolgens weer uitgestroomd en voornamelijk terug in loondienst. Vooral dat laatste lijkt niet helemaal te sporen met het gegeven dat veel geënquêteerde zzp'ers aangeven dat zij de onafhankelijkheid van het eigen ondernemerschap verkiezen boven de striktere kaders van de loondienst.

Begrijpelijk is die grote uitstroom wel, want de zelfstandige heeft gemiddeld een lager bruto inkomen dan de vergelijkbare werknemer, waarvan hij dan ook nog eens al zijn verzekeringen moet betalen. Gevolg: nog steeds is één derde van de zzp'ers niet verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid, terwijl zij vaker dan werknemers een beroep doen op een uitkering.
Voeg daarbij dat er relatief meer zelfstandigen onder de lage-inkomensgrens zitten dan werknemers, en het belang van spoedige totstandkoming van zo'n collectieve verzekeringsmogelijkheid voor zzp'ers is gegeven.

Aan dat alles doet niet af dat er een kleinere groep zzp'ers is die geen ondersteuning of collectieve verzekering nodig hebben. Dat zijn dezelfde mensen die zich als werknemer ook een vierdaagse werkweek met slechts vier dagen loon kunnen veroorloven. Maar een grote groep heeft wel degelijk voordeel bij collectieve verzekeringen. En daarmee heeft de arbeidsmarkt er óók baat bij. Een succesnummer heet dat in de popmuziek: 'We're in this together'.

Gepost op 28 september 2015

Nog meer vluchtelingen

Zonder veel moeite heb ik me ingeschreven als vrijwilliger voor de vluchtelingenopvang via de site van ReadyToHelp. Ik parkeer zondagochtend vroeg bij een verwaarloosde, veertien verdiepingen tellende kantoortoren in Amsterdam Zuid-Oost. Unheimisch, maar goed genoeg voor vluchtelingen.

De nachtploeg draagt de dienst over aan professionele hulpverleners, ehbo’ers en een paar niet-opgeleide vrijwilligers als ikzelf. Gisteren zijn hier 306 vluchtelingen voorzien van een slaapplaats met veldbed en eerste levensbehoeften. Het was onrustig vannacht. Niks ernstigs, jonge vrouwen glipten heimelijk de alleenstaande-mannen-afdeling in. Je houdt het niet tegen, zegt een van de drie kranige Katwijkse ehbo’ers met het lijzige accent van het vissersdorp: ‘Jeuk is erger dan pijn’.

Om kwart over acht rijdt de eerste gemeentebus met Syriërs en enkele Eritreeërs voor. Ik sta twee uur lang toiletartikelen, hoofdkussens en dekens uit te delen. Omdat ik vanwege mijn postuur en kale hoofd ook hier geassocieerd wordt met bewaking en veiligheid, moet ik de rest van de dag helpen de toegang te reguleren tot de ‘winkel’ van tweedehandskleding. Veel mensen proberen telkens opnieuw binnen te komen, en ze blijven langer dan de door mij ingestelde tien minuten. De volgens oud-Hollandse traditie compleet afgedragen kleding is veelal nauwelijks draagbaar.

Aan het einde van de lange dag krijg ik het verzoek of ik nog even met iemand door de hele toren wil om alle bezette en alle lege slaapplekken te tellen. Ik zie dan hoe men hier bivakkeert: karig maar waardig. De opvang door gemeente, Leger des Heils en Rode Kruis, is charmant chaotisch maar met bewonderenswaardig resultaat.

’s Avonds kijk ik op Uitzending gemist Buitenhof over vluchtelingenquota. Ik ben het eens met de migratiedeskundige die zegt dat de vluchtelingenstroom groot zal blijven, maar oneens met zijn pleidooi voor quota. Niet vanuit mijn geweten, maar juist vanwege het door hem bepleite verantwoordelijkheidsgevoel. Verantwoordelijkheid nemen betekent het vluchtelingenprobleem plaatselijk aanpakken, in het land van herkomst leefomgeving heroveren door militaire operaties. Het vereist ook dat we het in ons land zoveel mogelijk in goede banen leiden. Mensen die hierheen komen mogen geen voorrangspositie krijgen bij werk of huisvesting en moeten verplicht integreren.

Quota zijn in onze open wereld een illusie, tenzij we ze verwezenlijken door boten met vluchtelingen al af te zinken op zee. Het terugsturen van mensen naar brandhaarden is evenzeer een gotspe — zeker in een tijd van € 5 mrd euro aan lastenverlichting.

Mijn verantwoordelijkheidsgevoel zegt mij bovendien dat ik mijn kleinkinderen niet opzadel met de toekomstige gevolgen van mijn eventuele gebrek aan geweten.

Gepost op 18 september 2015

Nationaal Spoorplan

Ik lees een studie over over-optimisme. Daar word je niet vrolijk van. Zo blijkt dat scheidende partners gemiddeld veel hogere verwachtingen hadden van hun huwelijk dan degenen die samen bleven. Nog een constatering: ook veel beginnende ondernemers zijn te optimistisch door overschatting van hun matige bedrijfsplannen, waardoor hun inkomsten uiteindelijk een kwart lager liggen dan die van degenen die pessimistisch gestart zijn.

Het is het aloude probleem van het managen van je eigen verwachtingen. Zelf ben ik mijn hele leven een gematigd pessimist. Die benadering leidt ertoe dat ik mijn fraaie toekomstplannen in gedachten altijd afsluit met de overweging: het zal wel niets worden — en dan valt het uiteindelijk mee.

Met het spoor is het net zo. Ik ga graag met de trein, er is weinig spannender dan het schuin beneden het grote treinraam voorbijzwevende landschap, en het mooiste transportgeluid is dat van een trein die over railverbindingen ratelt. Maar als ik met de NS reis, houd ik van tevoren altijd rekening met omleidingen, vertragingen en uitval. Zelfs nu er terreurdreiging lijkt te zijn neem ik graag de trein, ongeacht alle ongemakken.

Toch zou het juist met inachtneming van de juiste dosis pessimisme — op basis van ervaringen uit het verleden — mogelijk moeten zijn voor ons spoor een toekomstplan te maken, dat achteraf niet in scherven valt door niet-koudebestendige treinen of uit de klauwen lopende uitbreidingsprojecten. Het komt mede door het hybride ondernemingsmodel dat op het spoor dienst doet. Dat werkt niet. Als de overheid zich actief wil bemoeien met de bedrijfsvoering van de spoorbedrijven, moeten we een minister van Vervoer aanstellen die tegelijk directeur van de NS is. Een slecht idee.

De overheid moet NS en ProRail loslaten, het zijn bedrijven met een veel te gecompliceerde bedrijfsvoering om aan de democratie over te laten. Doen we dat niet, dan zijn we over een paar jaar verzekerd van wéér een stroperige, voorgekookte parlementaire enquête na afloop van het volgende debacle. Als je een bedrijf wilt runnen moet je je fouten en mislukkingen ook in ondernemersstijl evalueren: voortvarend, alle verantwoordelijken erbij betrekkend en vooral jezelf niet ontzien in de kritiek. Kortom: zelfreflectie, iets waar onze volksvertegenwoordigers niet voortdurend in uitblinken.

Ik wil graag een door een terzake kundige ondernemer gemaakte beschrijving van een zinvolle, (kosten-)efficiënte toekomstige exploitatie van het spoor. Een plan waarbij rekening wordt gehouden met ontwikkelingen als de opkomst van de elektrische, zelfrijdende auto, het massaal naar de grote steden verhuizen van de werkende bevolking en de steeds grotere mobiliteit van een zich internationaliserende reizigersstroom. Een nationaal ondernemingsplan voor de spoorwegen.

Gepost op 11 september 2015

Durf uitstralen

We zijn het door alle vluchtelingennood alweer bijna vergeten, dat rapport van de VN over racisme in Nederland. Er zaten wat Kafkaëske aanbevelingen in. Bijvoorbeeld dat het beperkte aantal geregistreerde klachten bij de politie zorgelijk wordt genoemd. Dat vind ik lastig, want de VN-commissie heeft geen bewezen redenen waarom dat aantal klachten zo laag is. De commissie speculeert daarover: dat komt wellicht door sociale censuur of door gebrek aan vertrouwen in autoriteiten.

Aan de andere kant, ik ben het wel met de VN-commissie eens dat er nog steeds een ondervertegenwoordiging is van ethnische minderheden in bijvoorbeeld de top van het bedrijfsleven, maar ook in veel overheidsdiensten, zoals wetenschappelijk personeel bij universiteiten. Wat doen we daaraan?

Actief beleid voeren, mooi — maar dat gebeurt al jaren en kennelijk niet goed, want het werkt niet. Ik vrees dat het ook heeft te maken met het feit dat alle Nederlanders — van welke ethnische of raciale afkomst ook — zich te weinig bewust zijn waar Nederland vandaan komt. Dat is toch eenvoudigweg een koloniaal verleden. Dus in de inburgeringscursus horen de Keukenhof en Rembrandt thuis, maar ook Jacob Roggeveen en de West-Indische Compagnie.

Typerend was de ongelukkige metafoor van onze vorige premier, iemand die niet bepaald van vooroordelen beticht kon worden. Hij verwees naar de VOC-mentaliteit toen hij Nederland en de Nederlanders wilde oproepen om weer de wereld te gaan bestormen met bedrijvigheid. Niet echt gelukkig, gezien het slechte koloniale verleden van diezelfde VOC.

Mark Rutte’s reactie op het VN-rapport — ‘come on’, in de zin van: waar gaat dit over? — was ook niet echt fijnzinnig. Het gaat niet om de vraag of de overheid ingrijpt in volkstradities, de overheid moet zelf het goede voorbeeld stellen, het voortouw nemen. Wij zijn daarin terughoudend en dat leidt vaak tot gemiste kansen.

Hetzelfde gevoel krijg ik bij de reacties van Nederlandse werkgeversorganisaties op het vluchtelingenprobleem: men zegt erop te studeren, niet zeker te weten of men kan helpen — maar er blijkt geen actieve betrokkenheid bij dit EU-maatschappelijke probleem.

Een andere insteek zie ik in Duitsland: werkgevers denken hardop mee over oplossingen rond vluchtelingen: de ene multinational stelt lege gebouwen ter beschikking voor opvang, de andere wil opleidingsplaatsen vrijmaken. Als de topman van Mercedes-Benz zich uitspreekt over perspectieven op werk voor asielzoekers, dan ontstaat vanzelf een andere stemming.

Wij moeten dat ook uitstralen: dat is geen VOC-mentaliteit, maar het straalt wel de durf uit die Balkenende wilde — de durf die Rutte vaak heeft en die ik in hem waardeer. Come on!, in die andere betekenis.

Gepost op 04 september 2015

Vluchten kan nog steeds

Meestal weet ik wel een leuke anekdote te bedenken. Een passende vergelijking of gewoon, een fijn citaat — van die dingen. Nu schiet me niets te binnen, terwijl ik naar een foto staar van een klein kereltje, zoals mijn moeder hem zou hebben genoemd. Aangespoeld op een wreed strand. Waar zijn wíj dan aanbeland? Het slaat iedere poging tot redenatie, elke vorm van uitleg dood.

Ik heb geen zin om weer te horen dat opvang van vluchtelingen mensenhandelaren alleen maar stimuleert. Ongetwijfeld, dus dit gaat nog een paar jaar zo door, en er komen nog wel drie keer zo veel vluchtelingen naar Europa. Zeker, laten we die schoften met allerlei mariniers en vliegdekschepen opsporen.

Maar we zullen ermee moeten leven dat het een ‘mission impossible’ is om dit onrecht bij de wortels aan te pakken. Het gaat nu echt alleen maar om wat wij eraan doen: de plaats in de herberg.

Dat is onze achtergrond, een van onze grondbeginselen. Letterlijk, in deze polder — elke politicus die anders zegt of haat preekt tegen vluchtelingenopvang moet zich afvragen of hij in dit land thuishoort. Elke landgenoot, vriend, collega, buurman die zijn gelaat afwendt, verraadt onze ruimhartigheid en ontkent de ruimte die wij hebben.

Wij hebben het goed. Zij worden rücksichtslos opgejaagd, vervolgd. Door moordenaars van het blind-fanatieke IS-leger: fascistoïde, zou mijn vader ze geduid hebben. Maar ook door de genocide-sociopaat Assad, uit het rijtje Hitler, Stalin en Mao. Alleen al daarom ben ik vóór grondtroepen ter plaatse, al was het maar om een front te vormen tegen de misdadigheid — en wellicht om enige bescherming te bieden. Maar de vluchtelingenvolksverhuizing zal het niet stelpen.

Een paar getallen dan maar. In Turkije worden momenteel bijna twee miljoen Syrische vluchtelingen opgevangen, in Libanon ook bijna twee miljoen. Daar vallen de op zichzelf indrukwekkende 105.000 in Duitsland en 42.000 in Zweden toch bij in het niet.

Opvang in de regio is geen optie meer. Het is dweilen met de kraan open, en dan, we hebben met nazi-Duitsland gezien hoe dat uitpakte. Maar we gaan niet serieus beweren wat Annie M.G. Schmidt ooit bitter over het lot van vluchtelingen dichtte. Vluchtelingen die nergens meer naar toe kunnen, dat is als motto te beschamend voor woorden, laat staan voor de welvarende westerse wereld, dus ik spreek het niet eens uit.

Wat dan wel? Daar gaat-ie dan. Ik zeg het met veel nervositeit, want ik weet ook niet hoe het zal gaan, maar bij ons thuis is plaats. En als iedere FD-lezer in zijn huis ruimte zou maken voor maar één vluchteling, hebben wij alvast honderdduizend oplossingen. Meer kan ik even niet bedenken. Ook geen anekdote.

Gepost op 28 augustus 2015

NPO-flix

Catweazle was ooit een geestige, spannende tv-serie over een middeleeuwse tovenaar. Daarvan leerde ik gek genoeg, toen ik tien jaar oud was, Engels spreken. Misschien omdat hij zo langzaam sprak als hij zich weer eens verbaasde over wat hij tegenkwam in 1970, na zijn tijdreis van acht eeuwen. Maar toch vooral omdat hij zulke grappige dingen zei.

Ik vertel het omdat staatssecretaris Dekker deze week liet weten dat niemand hem ervan had kunnen overtuigen waarom de belastingbetaler voor amusement op de publieke omroep zou moeten betalen.

Tja, publieke omroep, publieke gelden: het pijnlijke misverstand bij dit socio-liberale kabinet lijkt te zijn dat je de kwaliteit van overheidsuitgaven moet toetsen aan de verheffing van het volk. Dat lijkt mij een onjuiste ambitie.

De overheid moet met het belastinggeld de samenleving vormgeven en faciliteren. Dat gebeurt net zo goed door bruggen of openbare plees te bouwen als leuke quizzen en spannende detectives uit te zenden.

De publieke omroep zorgt al decennia voor kwalitatief uitstekende, vaak ideeënrijke televisie. Dat heeft niets meer met verzuiling te maken, althans: de restanten van die zuilen mogen van mij weg, gewoon één nationale omroep.

Nu moet ik wel zeggen: ik kijk nog slechts zelden naar televisie; films en series gaan via on demands van Ziggo en Netflix, documentaires vanaf YouTube of andere sites. Het Journaal volg ik via de NOS-app op mijn mobiel.

Dat neemt niet weg dat onze publieke omroep nog altijd een geweldig kapitaal aan know-how, vakmensen, programmaformats en bekende gezichten vertegenwoordigt. Een mooie investering dus van ons, belastingbetalers.

Wat mij dan verbijstert is dat de plannen van het kabinet nauwelijks gaan over het op de toekomst richten van dat publieke zendkapitaal. Wat is er eenvoudiger dan met hetzelfde belastinggeld een geweldig publiek internetkanaal in te richten? Niet het stoffige Uitzending Gemist, maar een dynamisch, interactief universum van de publieke omroep. Waar je het Journaal kunt bekijken, met hyperlinks naar archiefmateriaal. Waar je een samenvatting van de vorige jaargang van Penoza kunt zien zodat je er weer helemaal inzit; en een Teleac-cursus relativiteitsleer kunt volgen via een chatroom met de professor, met desgewenst in de bovenhoek van het scherm beelden van een concert van het Radio Philarmonisch Orkest.

Natuurlijk, we moeten dan de intellectuele eigendomsrechten van schrijvers, acteurs, documentairemakers en cabaretiers netjes afkopen. Daarvoor vragen we misschien de kijker zelfs een bescheiden on-demand-bijdrage. En desnoods moet er wat meer in de Rijksbegroting worden gereserveerd voor het Publieke Internetkanaal. Maar wat gaan we een lol beleven van ons belastinggeld. Of eh...was dat nu juist verboden amusement?

Gepost op 21 augustus 2015

De echte EU-discussie

Vanwege een DDoS-aanval op internet kon onderstaande bijdrage aan het Kamerdebat over het derde Griekse steunpakket deze week helaas niet worden uitgezonden.

'Mevrouw de Voorzitter, Een van de grootste misdaden in de stedenbouwkundige geschiedenis was de Berlijnse Muur: architectonische intimidatie en straf waarmee de Sovjets probeerden de Duitse eenwording tegen te houden.

Deze week overleed Egon Bahr, de man naast de toenmalige bondskanselier Brandt, die in de jaren zeventig voorzichtig begon met pogingen om de Berlijnse muur te slechten.

"Verandering door toenadering", was het motto van Bahr. Hij stond geleidelijkheid en geduld voor: een houding die moeilijk vol te houden was in een tijd dat vluchtelingen uit de DDR nog werden doodgeschoten bij de grens, en dissidenten in de Sovjet Unie naar helse strafkampen verdwenen — letterlijk.

Toch was de gedegen maar rustige koers van Bahr de beste voedingsbodem voor de Wende, die volgende maand alweer 25 jaar geleden leidde tot één Duitsland.

Die eenwording beschouwen wij nu als een vanzelfsprekendheid, alsof die ene grote, herenigde Duitse Bondsstaat altijd al deel heeft uitgemaakt van het EU-meubilair.

Integendeel: iedereen die vóór 1990 besef van de wereldpolitiek had, weet dat het een pan-Europese Wende was. Zonder de Duitse eenwording en de daarmee ongeveer gelijk lopende val van het IJzeren Gordijn zou de EU niet de mondiale machtsfactor zijn geworden die de unie nu is.

De discussie moet niet meer gaan over de vraag of Griekenland nog binnen de EU mag blijven: als een lidstaat zich bij herhaling niet aan de afspraken houdt, is het einde oefening. Laten we dus nu niet een belofte aan de kiezer maar gezamenlijk aan elkaar doen dat dit echt de aller-allerlaatste keer is geweest.

Genoeg daarover. We moeten het nu hebben over de vraag of we de EU verder willen voeren.

Het was achteraf gezien zeker niet de verstandigste beslissing om met één munteenheid te gaan werken, zonder dat gepaard te laten gaan met voldoende afdekking in de vorm van ingrijpende bevoegdheden op EU-niveau, maar dat is niet meer terug te draaien.

Wij moeten nu met elkaar in Europa het gesprek aangaan of wij één soevereine, federale unie willen. Of wij het vluchtelingenprobleem ook in daden gezamenlijk willen aanpakken. En ons de economische malaise, dan wel de lagere levensstandaard in een andere lidstaat aantrekken alsof het onszelf betrof. Of wij ook militair één willen zijn. En tenslotte of wij ook een vrije, en verdraagzame politieke unie willen.

Wij zijn Europeanen, wij hebben elkaar eeuwenlang geïntimideerd en daarmee onszelf eeuwenlang gestraft. Maar langs lijnen van geleidelijkheid hervinden wij onszelf en onze beschaving. Laten wij daarmee doorgaan: verandering door toenadering.'

Gepost op 14 augustus 2015

Cao-faillissement

In de week dat een Nederlands bedrijf met 22.000 werknemers failliet gaat, bevindt het Nederlandse cao-stelsel zich in een impasse. Voor de tweede keer in korte tijd is de grootste vakbond geen partij bij een belangrijke cao, dit keer in de retailsector. Ook de in grootte tweede bond deed niet mee.

In de retail heeft de werkgeversvereniging de nieuwe cao — in een bedrijfstak met meer dan honderdduizend werknemers — afgesloten met twee aanzienlijk kleinere vakbonden, waarvan één zelfs nauwelijks leden heeft in de betreffende sector.

Toch gaat die cao voor bijna al die honderdduizend werknemers gelden, óók als ze lid zijn van één van de twee grote bonden, die geen partij zijn; zelfs als ze helemaal nergens lid zijn is de cao in de meeste gevallen op hen van toepassing. Dat komt onder andere omdat veel werkgevers de toepasselijkheid van de cao standaard opnemen in alle individuele arbeidscontracten.

Hier gaat iets fout. Het kan toch niet zo zijn dat twee bonden die nauwelijks werknemers vertegenwoordigen de cao afsluiten en zo indirect vrijwel alle werknemers in de bedrijfstak kunnen binden?

Daarnaast, zeer kleine bonden hebben nauwelijks met de werkgeversvereniging gelijkwaardige onderhandelingskracht.

De oorzaak ligt in onze sterk verouderde cao-wet. Die bepaalt dat een bond een cao mag afsluiten als ze maar leden in de sector heeft. Maar die wet stamt uit 1927, toen bijna iedereen wel ergens (omroep, politieke partij, kerk en vakbond) lid van was. Toen vertegenwoordigden de vakbonden daadwerkelijk een groot deel van de werknemers, en waren ze over de hele linie sterk. In de afgelopen decennia is vakbondslidmaatschap drastisch afgenomen. En hebben (soms piep)kleine bonden doorgekregen dat ze door een handvol leden in een bedrijfstak te hebben ineens een cruciale rol kunnen spelen met gelijktijdig opzijzetten van grote bonden. Maar daarmee verwordt de cao tot een schijnconstructie.

Werkgevers én werknemers hebben een goed functionerende cao nodig: om centraal en dus veel efficiënter tot een onderhandelingsresultaat te komen, om concurreren op lonen te voorkomen, en ten slotte: om arbeidsrust te beklinken. Ten behoeve van onze concurrentiekracht en ons gunstige investeringsklimaat.

De oplossing? Laat werknemers elke twee jaar per sector door internetverkiezingen uitmaken welke twee vakbonden de cao-onderhandelingen mogen doen. Bekostiging van de vakbonden geschiedt uit een fonds waar iedere werknemer aan bijdraagt, die lid is van één van de vakbonden die deelnam aan de cao-verkiezingen, of die in zijn arbeidsovereenkomst toepasselijkheid van de cao heeft aanvaard. De ware vakbond wordt dan weer zichtbaar.

Herziening is noodzaak, anders gaat het cao-stelsel failliet door zijn eigen tekortkomingen.