Ferdinand Grapperhaus is hoogleraar Europees arbeidsrecht, Kroonlid van de Sociaal Economische Raad, Partner bij Allen & Overy, vader van vier, voetballiefhebber, ...

Lees meer

Gepost op 09 mei 2016

Trump en betrouwbaarheid

De film The Big Short begint met een aan Mark Twain toegeschreven citaat: 'It ain't what you don't know that gets you into trouble. It's what you know for sure that just ain't so'.

Het citaat past om allerlei redenen bij Donald Trump. Allereerst, het is een namaak-citaat, het komt nergens in Twains werk voor. De eerste zin hoort ook bij Trump. Wat we niet over hem weten, kan niet erger zijn dan wat we inmiddels wél weten. Ook de tweede zin hoort bij Trump, omdat iedereen zeker wist dat deze onvoorspelbare megalomaan nooit de nominatie van de Republikeinen zou binnenhalen. Wel dus.

Maar de tweede zin past ook bij Trump in een andere betekenis. Wat wij van hem voor waarheid aannemen zal telkens een leugen blijken.

Zo was er afgelopen dagen veel verbazing over zijn stelling dat rijken meer belasting zouden moeten gaan betalen, terwijl nauwkeurige analyse van zijn plannen laat zien dat juist de Amerikaanse middengroepen opdraaien voor de door Trump toegezegde belastingverlaging voor iedereen. Die komt er dus niet, en maar goed ook, want in de plannen van Trump wordt nergens verantwoord waar hij gaat bezuinigen in de uitgaven.

En toch wordt Trump inmiddels regelmatig gerationaliseerd. Hij zou best eens mee kunnen vallen, valt te beluisteren.

Dat Trump een racist is, die een politiek voorstaat die de onderkant van de samenleving zal treffen — ach, verkiezingsretoriek, het kan alleen maar meevallen. In Europa zijn er mensen die zijn belastingplannen 'wel interessant' vinden, en die menen dat Trump een kans moet krijgen. Maar ze nemen niet de moeite om die plannen eens door te rekenen.

Voor deze struisvogeldenkers is wellicht het volgende van belang. In een CNBC-interview zei Trump over de Amerikaanse overheidsschuld dat de VS misschien, 'when times get tough', zijn uitstaande overheidsobligaties met forse kortingen moet terugkopen op de markt: je koopt onder druk je schuldeisers uit voor aanzienlijk minder dan nominaal. Kortom, iets wat bedrijven op de rand van faillissement doen. Dat staat haaks op de ijzeren kredietwaardigheid die de VS altijd hebben willen uitstralen als het om hun overheidsleningen ging.

Een onbetrouwbare manier van zakendoen. Trump beseft niet eens dat hij door dit soort uitspraken te doen, de waarde van US bonds straks bij voorbaat laat dalen, zodra hij tot president is gekozen. Want wie wil er nou in obligaties zitten van een land waarvan het nieuwe staatshoofd bij voorbaat heeft aangekondigd dat hij niet te vertrouwen is bij terugbetalen? En hij zal bij obligatie-uitgiftes van zijn eigen regering direct kortingen moeten geven.

Want ook als Trump bezweert dat de VS echt elke obligatie volledig terugbetaalt, weten we zeker dat dat niet zo is.

Gepost op 02 mei 2016

Doden herdenken

In 1970 kregen we op school een lelijke witte mok met in blauwe modieuze letters het opschrift ‘25 jaar bevrijding’. Er was die dag een groot feest met allerlei spellen en veel gedoe, staat mij bij. Ik vond het niks. Een bevrijding moet je misschien hebben meegemaakt om hem nog eens opnieuw te kunnen vieren. Ik ging wel altijd met mijn ouders naar de Waalsdorpervlakte bij Den Haag, en later met mijn gezin naar de Beethovenstraat in Amsterdam om de doden te herdenken.

De dodenherdenking betreft volgens het Comité 4 en 5 mei alle burgers en militairen die in ons Koninkrijk of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Dodenherdenking is voor alle in oorlogssituaties of bij vredesoperaties omgekomenen en oorlogsslachtoffers sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

Ik vind dat te veelomvattend. Voor mij persoonlijk gaat ieder jaar de meeste aandacht en overweging naar de slachtoffers van de Holocaust.

De Holocaust is niet louter terug te voeren op de willekeur van een psychopatisch regime. Het is evengoed een confrontatie met het gegeven dat onze ratio en ons fatsoen op zeker moment overstemd worden door opportunisme en angst.

Eind 1933 werd William Dodd ambassadeur van de Verenigde Staten in Berlijn. Dodd was een wat wereldvreemde hoogleraar geschiedenis, die de baan kreeg als dank voor bewezen diensten voor de Democraten. Zijn belangrijkste opdracht van de Amerikaanse regering was om de vele miljarden aan Amerikaanse leningen aan Duitsland betaald te krijgen: vooral aanpappen met het nieuwe regime, want met die Nazi’s was vast beter zaken te doen dan met de Weimar-socialisten.

Maar Hitler c.s. hielden de ambassadeur en zijn landgenoten aan het lijntje. Erik Larson beschrijft in In the garden of beasts hoe akelig opportunistisch de Amerikanen, maar ook de Engelsen en Fransen in die eerste Hitler-jaren waren, ieder om eigen redenen.

Gaandeweg kwam Dodd erachter dat het nieuwe regime een verzameling levensgevaarlijke misdadigers was, en begon dat ook terug te rapporteren. Dat werd hem door hoge ambtenaren bij het State Department niet in dank afgenomen. Terugbetalingen regelen, daar was Dodd voor aangesteld. Zijn rapporten verdwenen in de prullenbak en de regering-Roosevelt doorzag mede daardoor te laat de ware, duivelse inslag van de Nazi’s.

Het doet niet af aan het feit dat we aan vooral Amerikanen, Canadezen, Russen en Engelsen onze vrijheid danken. Die vrijheid vier ik elke dag, maar eens per jaar gedenk ik de soldaten die daarvoor sneuvelden en alle onschuldigen die tot aan die bevrijding werden vermoord.

Inderdaad, dat klinkt zwaar, maar is wat mij betreft voldoende reden voor een dodenherdenking.

Gepost op 25 april 2016

Sociale dienstplicht

Volgens de Universiteit van Padua zijn vrouwen van wie de partner is overleden vaak gelukkiger dan andere vrouwen: ze hebben minder stress en bloeien op. Een leuk vooruitzicht voor de dames, maar voor mij is de stress sterk toegenomen. Ik durf thuis geen aangeboden kopje koffie of gebakken eitje meer aan te raken, je weet maar nooit.

 

Haaks op deze bevindingen staat dat bijna 20% van de ouderen niemand in zijn omgeving heeft die mantelzorg geeft, aldus het Sociaal en Cultureel Planbureau. Steeds meer 75-plussers zeggen dat ze niemand hebben die voor ze kan zorgen. Dat komt vooral omdat ze geen partner meer hebben. Het valt dus misschien tegen voor de weduwes.

Het laat zien dat we toekomstige problemen rondom tekorten in de zorg al in het heden niet op orde hebben. De urgentie hierover is er de laatste jaren bij ingeschoten. Over een jaar of tien bestaat een overvloed aan ouderen, die dringend en over een steeds langere periode zorg nodig hebben, terwijl er geen allesomvattend plan van aanpak lijkt te zijn.

De ChristenUnie is wellicht daarom dit weekeinde met het voorstel gekomen om studenten in plaats van hun studielening terug te laten betalen, sociale dienst te laten doen, dus bijvoorbeeld zorg te verlenen aan ouderen die die zorg anders niet krijgen. Een sociale dienstplicht spreekt mij aan, daar zou de ChristenUnie een thema van moeten maken in de verkiezingen.

Maar de partij maakt wel een denkfout. Door het te koppelen aan studieleningen worden alleen de kinderen uit de lagere-inkomensmilieus, die van een lening afhankelijk zijn, verplicht om hun dienst te doen.

Dat zou oneerlijk zijn maar ook de verkeerde prikkel aan die kinderen kunnen geven, namelijk om niet te gaan studeren. En er gaan al minder kinderen van laagopgeleide en laagverdienende ouders studeren, sinds de invoering van het studieleenstelsel. Het excuus dat het ministerie van Onderwijs daarvoor aanvoert (het was een zogenaamde boeggolf van kinderen die anders wel een tussenjaar hadden genomen maar nu meteen waren gaan studeren, om zodoende nog een beurs te kunnen krijgen) is een drogreden. Kinderen van ouders met een laag inkomen hebben geen geld van thuis om een tussenjaar te kunnen doen.

Ik pleit sterk voor een sociale dienstplicht — maar dan voor iedere achttienjarige. Het kan de solidariteit verbeteren tussen kinderen uit verschillende achtergronden. Die solidariteit is de afgelopen jaren sterk afgenomen, met het teloorgaan van scholengemeenschappen en andere maatschappelijke verbanden. Het leidt ook, wanneer die dienstplicht zich mede op ouderenzorg richt, tot meer solidariteit tussen generaties. En we adresseren er een deel van het zorgtekort mee, zelfs voor stressloze weduwes.

Gepost op 18 april 2016

Strafrechtelijke satire

Met spot valt altijd wat te bereiken, maar het resultaat kan soms lang op zich laten wachten. De beste satire blijft het slachtoffer aankleven. Dat zou ook wel eens voor Recep Erdogan kunnen opgaan.

Hij zal op dit moment opgetogen zijn. Het Duitse Openbaar Ministerie neemt — mogelijk — zijn strafklacht tegen cabaretier Jan Böhmermann wegens belediging in behandeling. Erdogan kan laten zien dat met hem niet valt te spotten.

Maar hij negeert dat satire het bloed is dat van nature kruipt waar het niet gaan kan. Het is hekelende, spottende maatschappijkritiek. Satire betekent per definitie het opzoeken van de grenzen van de status quo.

Daarmee lijkt het feit dat de hekeldichten over Erdogan onderwerp van strafvervolging zijn op het eerste gezicht haaks te staan op onze waarden.

Niet dus. Ook satire mag voorwerp van kritiek en onderzoek zijn. Niemand, ook niet de satiricus, staat boven de wet, ook al is het een overjarige wet die belediging van buitenlandse staatshoofden strafbaar stelt. Alleen zal het van nature zelden of nooit strafbaar zijn.

Ondertussen biedt de strafklacht van Erdogan de kans om zijn semitotalitaire kliek een oordeel voor te houden van een vrije rechter. Juist omdat Turkije een terreurstaat is geworden, waar rechters en advocaten zonder geldige reden of eerlijk proces worden vervolgd.

Toch moeten satirici aller landen zich niet verenigen in een krokodillentranenkoor, klagend dat het om satire gaat en dat Merkel hiermee de satirist vogelvrij verklaard heeft. Dat is hypocriet.

De satirist weet welke grenzen hij opzoekt — en dat hij de kans loopt over grenzen heen te gaan. Böhmermann heeft doelbewust Erdogan geprovoceerd door zich in voor hem beledigende bewoordingen af te vragen: wanneer is iets satire en tot waar mag ik iets zeggen, ook als het geen satire is?

Dat is moedig van Böhmermann en verdient volledige steun.

Maar Merkel heeft terecht beslist dat het aan het OM en de rechter is om Erdogan uit te leggen dat dit is toegestaan.

De beslissing tot vervolging van het OM, en het rechterlijk oordeel als het tot een proces komt, zijn een goede gelegenheid voor de democratie om zich te manifesteren. Het kan de aanhang van autocraten als Poetin en Erdogan tonen dat satire zijn eigen plaats heeft, maar dat de satirist over de invulling daarvan bij tijd en wijle ook verantwoording moet afleggen, in een fatsoenlijk proces, maar niet in een kerker. Een ander positief punt is dat de wereld, als Erdogan komt getuigen, kan kennisnemen van zijn verwrongen, bijkans bespottelijke beeld van democratie.

Daarmee zou het strafproces onbedoeld tot satire kunnen leiden.

Gepost op 11 april 2016

Veiligheid en Wetgeving

Het begon mij de laatste jaren op te vallen dat er nooit meer evergreens uit de hitparade voortkwamen. Geen Proud Mary, geen I will survive. Ik dacht aanvankelijk: de liedjes zijn gewoon op. Net zoals veel romans voortborduren op oude oer-verhalen. Maar nu lees ik dat hits tegenwoordig zo op elkaar lijken omdat ze allemaal uit dezelfde computer van dezelfde twee of drie Scandinaviërs komen. De software maakt de basistrack aan, waarna de computer wat melodie en muziek toevoegt. Regel een bijbehorende zangeres met knik in de stem en je bent er.

Het zal niet lang meer duren of we kunnen voor het politieke debat ook toe met een handig computerprogramma. Maar ik zal het live-debat niet missen. Rondom het referendum vorige week was het treurigmakend slecht van niveau. Zelfs een versie-1.0 debating software zou op inhoud (en presentatie) beter scoren.

Maar ook het kamerdebat vorige week met de minister van Veiligheid en Justitie stemde niet tot vrolijkheid. Dat deze minister niet tot de sterksten in zijn soort behoort moge zo zijn, maar op het onderdeel Veiligheid hebben we er op dit moment vooral behoefte aan dat alle politieke richtingen gezamenlijk optrekken. In dat opzicht had de premier zich meer moeten laten zien tijdens die debatten. Zijn continue stroom voorgeprogrammeerde peptalk bij tegenspoed is reuze positief, maar verantwoording afleggen over onze Veiligheid is toch wat anders.

Te midden van alle oppervlakkige ruzies vielen de bedachtzaam, maar ijzingwekkend scherpe observaties van de Raad van State over de onttakeling van de rechtsstaat nauwelijks op. De Raad uit in zijn jaarverslag over 2015 zijn zorgen over het feit dat de waan van de dag steeds meer greep krijgt op de inrichting van de maatschappij. De waarden van de rechtsstaat dienen als sluitpost ten behoeve van snel resultaat en politiek draagvlak.

Ik ben het roerend met de Raad eens dat regels minder maatschappelijke zekerheid bieden als zij na korte tijd weer veranderen. Al gauw gaat dan regelgeving prevaleren die in het belang is van de sterkste of luidruchtigste maatschappelijke groeperingen. Met de publieke verontwaardiging meedeinende wetgeving is per definitie weinig doordacht: het schaadt de eerbied voor de normerende betekenis van wetgeving.

Als de rechtsstaat een bestendig karakter heeft met solide, niet over één nacht ijs aangenomen regelgeving, wordt het gedrag van de overheid betrouwbaarder, zodat iedere ingezetene daar in het eigen gedrag vanuit mag gaan. Dat bevordert weer de rechtszekerheid, waarmee de rechtsstaat ook weer beter functioneert.

Het zal wel te lang zijn voor Twitter en te moeilijk om voor de camera uit te leggen. Maar als onze MP daar de moeite voor zou nemen, heeft hij mijn onvoorwaardelijke steun.

Gepost op 04 april 2016

Een ja voor Oekraïne

Het is maandagmiddag, twee dagen voor het Oekraïnereferendum, maar inmiddels wordt het debat daarover overschaduwd door de Panama Papers.

Wat je maar nieuws vindt. Vladimir Vladimirovitsj Poetin heeft niet voor niets als bijnaam VVP, wat in het Russisch de afkorting is voor bruto nationaal product. Dat hij dat VVP volledig heeft weggesluisd naar een ver belastingparadijs, kan toch niemand verrassen?

Ondertussen zien de Oekraïeners Poetin eerder als een buitenlands nationalistisch product.

Ik ga het dus niet verder over VVP hebben. Ik heb grotere zorgen. Ik moet niet vergeten mijn stembiljet woensdagochtend mee naar kantoor te nemen. Eén keer, ik schaam me het te bekennen, had ik een stembiljet thuis op het gangtafeltje laten liggen — en dan zijn de stembureaus toch echt gesloten wanneer je als academische middenstander ‘s avonds laat thuis komt. Kortom, ik stem tegenwoordig in de sporthal bij mijn kantoor.

Want daar gaat het om: dat we wél gaan stemmen. Niet omdat anders de EU in gevaar komt, en ook niet omdat we dan veel meer handel met Oekraïne krijgen.

Het gaat maar om één ding: dat we zo geleidelijk aan de vrije wereld kunnen uitbreiden. Elke associatie met een land waarin een groot deel van de bevolking naar democratie en vrijheid wil, is een overwinning voor de Vrije Wereld. Dat we met zo’n land dan nog een tijd door corruptie, armoede en laatste resten dictatuur heen moeten bijten, dat hoort bij het proces. Zie in het verleden Spanje of Portugal, en recenter Chili en Myanmar.

De Vrije Wereld staat voor grondrechten, welvaart, vooruitgang en een zo eerlijk mogelijke verdeling — en wie wil niet dat andere landen en hun bevolking zich daar geleidelijk bij aan kunnen sluiten?

Twee verbazingen: allereerst, de irrationaliteit van de mensen die ons ophitsen om nee te stemmen maar tegelijkertijd ook waarschuwen voor vreemde invloeden in ons land. Irrationeel, want door nee te stemmen gaan we de Oekraïeners alleen maar van ons vervreemden. Hebben we er straks weer een voedingsbodem voor vijandschap bij.

Als tweede verbazing: de onvoorstelbaar sullige manier waarop de werkelijke politieke leiders en grote denkers van ons land zich weer eens hebben laten verrassen door populistische domdenkers. Is het nou echt zo moeilijk en te veel gevraagd om eens in begrijpelijke taal aan de mens in de straat uit te leggen dat het maar om één ding gaat bij die ja-stem: verkondiging van de vrijheid?

Vrijheid in denken, in handel en handelen. De Oekraïense bevolking wil mee in de vaart der volkeren, weg van corruptie, chaos en onderdrukking. Laten wij ze daar vooral bij helpen. En voor wie dat wil: ook ter meerdere eer, glorie en handel van onszelf.

Gepost op 29 maart 2016

Johan in mijn jeugd

Omdat Johan Cruijff overleed, was ik even terug in 1970. Terug naar de briljante Cruijff-draai, de buitenkant-voet-pass en de typische jongenssprong na een doelpunt. No-nonsense sierlijkheid. Vanzelfsprekende onoverwinnelijkheid.

Van mijn oma kreeg ik dat jaar het boek De Ajacieden voor mijn verjaardag: de levensgeschiedenis van alle spelers. Ik las er stiekem 's avonds in bed in. Hoe Jopie Cruijff bij de training van Oranje de Tsjechische bondscoach Fadhronc in de maling nam: telkens wanneer die 'Feuer!' riep als Johan voor een schot op doel moest aanleggen, stopte hij en vroeg: 'Wat zegt u daar, trainer?'

Of samen met Wimpie Suurbier bij de eerste duurloop na de zomer achterin blijven hangen en dan ongemerkt hele stukken in het Amsterdamse Bos afsnijden. En dan in een Citroën SM naar huis.

Johan Cruijff, nee, heel Ajax 1, was cool-avant-la-lettre. Het ging ondertussen maar om één ding, de Europacup, die moesten we winnen, maar Feijenoord was ons — nog in ouderwetse spelling — vóór. Het Nederlands elftal, daar was ik niet zo van, dan moesten er ook spelers meedoen van FC Twente, Sparta of PSV en dan werd het toch niks.

Maar met Cruijff is veel meer verbonden dan alleen voetbal. Begin jaren zeventig 1970 was een tijdperk op zichzelf. De maanlandingen, Venus van het Nederlandse Shocking Blue op 1 in de Amerikaanse Hitparade, de 'Troubles' in Ulster (Noord-Ierland), Vietnam, de uithongeringsoorlog in Biafra, de generatiekloof, de Beatles uit elkaar. En last but not least het ontstaan van Het Milieu, want dat was er ineens, door de Club van Rome.

Ik beleefde die paar jaar als door een vergrootglas. Dankzij Johan. Hij was overal, was zichtbaar en had een mening. En hij was ongrijpbaar, in het veld en, ook toen al, in zijn taalgebruik.

Voor dialectiek van linkse revolutionairen was ik te jong en te weinig belezen. Maar een voetballer die uitlegde dat hij zich niet door de clubvoorzitter in de luren liet leggen, dat begreep ik.

En passant ontwikkelde ik door Johan mijn taalgevoel. 'Ik ben geen dief van mijn eigen portemonnee', zei hij, en daarmee was het Nederlands een spreekwoord rijker.

Johan was voor mij het voorbeeld van onafhankelijk denken. Mijn vader zei na de verloren WK-finale in 1974: het is voorbij, dit maken we nooit meer mee. Hij kon het weten: Nederland had vóór Johan nooit een deuk in een pakje boter geslagen.

Met het voetbal is het daarna nog best goed gegaan. Maar zo intens als toen is het niet meer geworden — het voetbal niet en het leven ook niet. Een vriend zei toen hij hoorde van Johans dood: onze jeugd is voorgoed onze jeugd niet meer.

Johan zou het begrepen hebben.

Gepost op 21 maart 2016

Vreemde kinderen

Omdat een van mijn dierbaren twee weken in een vluchtelingenkamp in Griekenland werkt, krijg ik de ellende via WhatsApp van binnenuit in het gezicht geslingerd. Toch is het beeld dat het meest beklijft een groepsfoto: twee blonde Nederlandse studentes te midden van een groep Afghaanse en Syrische kinderen na het voetballen. Drie jongetjes houden stiekem twee vingers gekruist boven het hoofd van één van de vrouwen: konijnenoren, wie deed het vroeger niet bij de leraar op de klassenfoto? Cultuurverschillen tussen Oost en West ten spijt, kinderen, zelfs op de vlucht, hebben overal dezelfde spot jegens volwassenen.

Het belooft veel goeds voor integratie. Oké, vluchtelingen moeten, zoals in Noorwegen al gebeurt, eerst een strenge culturele opvoeding krijgen. Zo leren ze dat niet alleen zij beschermd worden door artikel 1 Grondwet (iedereen wordt in Nederland gelijk behandeld), maar ook mensen die door hun geslacht, ras, geloof, of seksuele geaardheid in het land waar de vluchteling vandaan komt geen bescherming genieten. En ze moeten zich aan zo’n maatschappij committeren.

Maar let wel, een aanzienlijk deel van de asielmigratie is tijdelijk: de meeste asielzoekers keren na vrij korte tijd terug, vooral wanneer de conflicten in hun thuisland tot bedaren zijn gekomen. Ten aanzien van de blijvers is het van belang dat ze voortvarend naar de arbeidsmarkt worden geleid — eerder dan nu gebeurt. Als de overheid daarin beter beleid zou kunnen voeren, zou er zelfs het nodige te winnen zijn met de uit asielzoekers voortkomende arbeidsmigranten. Zorgen over verdringing en oplopende werkloosheid als gevolg van asielmigratie lijken ongegrond, want arbeidsmarkten blijken goed in staat het extra arbeidsaanbod te absorberen. Zolang ze nog asielzoekers zijn ook positief nieuws: het geeft de lokale economie door de extra overheidsuitgaven in de eerste maanden een economische impuls. En de komst van een asielzoekerscentrum in de buurt heeft geen negatief effect op de waarde van je huis.

Ik weet dat allemaal, omdat het tijdschrift Economisch Statistische Berichten (ESB) onlangs een special wijdde aan het onderwerp ‘Van asiel naar arbeid’. Geen bewindspersoon of Kamerlid heb ik erover gehoord. De discussie ging deze week slechts over hoe we de vluchtelingenstroom kunnen terugduwen, en passant onze principes over mensenrechten weer eens compromitterend.

Ik had het kunnen weten: één van de bevindingen in ESB is dat de kosten-batenanalyse zich vaak tot de korte termijn beperkt. Ook voor het vluchtelingenprobleem geldt: ‘never waste a good crisis’. De kinderen die nu op de groepsfoto de leidster voor de gek houden, kunnen juist door hun andere culturele achtergrond bijdragen aan de innovatie van onze economie. Lange termijn, dat wel.

Gepost op 14 maart 2016

Duitse eenheid

Met mijn vader ging ik in de jaren zeventig elk jaar een paar dagen naar West-Duitsland, zoals we dat toen nog noemden. We bezochten in Nedersaksen het dorp waar wij onze naam aan ontlenen, en van waaruit mijn overgrootvader zo rond 1870 naar Nederland vertrok. Een plattelandsgemeenschap waar wederopbouw voortvarend maar in bescheidenheid had plaatsgevonden: een stille schaamte om het recente verleden hing als een waas over de dorpen en landerijen. De Duitsers waarmee ik daar sprak waren opmerkelijk tolerant en maatschappijbewust. Maar er was overal bloei in de economie. Mann schaffte es. Zo gingen schuldgevoel en élan hand in hand. Een treffende toepassing van Kierkegaards wijsheid: het leven moet achteruit begrepen, maar voorwaarts geleefd worden.

Duitsland worstelde in die jaren met het willekeurige geweld van de Rote Armee Fraktion. Jonge radicalen zetten zich hevig af tegen de gigantische doofpot die hun ouders op de Tweede Wereldoorlog hadden gezet en vertaalden hun onvrede in ontvoeringen en bomaanslagen. Toch slaagde de Bondsrepubliek erin die crisis binnen de grenzen van de rechtsstaat te bezweren en de generaties verzoenden zich uiteindelijk met elkaar.

Nu, veertig jaar later, dreigt een nieuwe scheuring. Dat de ultra-rechtse AfD een kwart van de stemmen verovert in de deelstaat Saksen-Anhalt toont aan dat de tweedeling tussen insiders en outsiders in Duitsland groter is dan ooit. Pijnlijk voor een land dat nog geen dertig jaar van eenwording heeft kunnen genieten. In Duitsland is relatief meer armoede dan in Nederland. Wie niet meekomt is op karige voorzieningen aangewezen en heeft qua arbeidsmarktkansen een uitzichtloze positie. Dat komt vooral tot uitdrukking in deze deelstaat, die tot 1990 deel uitmaakte van voormalig Oost-Duitsland, waar het duivelse regime van de Nazi’s in 1945 naadloos werd opgevolgd door de zielloze communistische heilstaat.

Het succes van de AfD in Saksen-Anhalt betekent dus niet dat alsnog blijkt dat een kwart van de Duitsers een intolerante aard heeft. Dan is de 15% AfD-stemmers in het veel welvarender Baden-Württemberg schokkender. Het laat vooral zien dat een substantieel deel van de Duitse bevolking niet gelooft dat men het gaat 'schaffen'. Dat is de grootste tegenvaller van deze deelstaatverkiezingen: de afnemende steun voor de enige regeringsleider van een groot Europees land, die wél standvastig is rondom de huidige grote EU-kwesties. Het kan zijn dat de politieke levensduur van Merkel teneinde loopt, maar haar politieke kracht lijkt de komende jaren in eigen land en in de EU onmisbaar.

Merkels motto 'wir schaffen das' is niet zomaar een kreet. Het is onlosmakelijk verbonden met naoorlogs Duitsland. Zij kan het weten, als voormalig DDR-burger.

Gepost op 07 maart 2016

Laat rechters vrij denken

De drie rechters die de tweede discriminatiezaak tegen PVV-leider Geert Wilders behandelen, zijn geen lid van een politieke partij. Dat was voor de rechtbank Den Haag een belangrijke voorwaarde bij het selecteren. Een misverstand.

Nederland kent een scheiding der machten, met een onafhankelijke rechterlijke macht. Onze magistraten worden op rechterlijke vaardigheden geselecteerd, wij kennen geen politieke benoemingen van rechters, zoals de Verenigde Staten.

Iemands politieke voorkeur of levensovertuiging heeft niets te maken met scheiding der machten. Ongeacht geloofsrichting of politieke overtuiging mag iedereen zich beschikbaar houden voor de uitvoerende, wetgevende of rechtsprekende macht. Om rechter te kunnen worden moet je wél ons rechtssysteem onderschrijven, begrijpen en kunnen toepassen. Daar komt geen politiek aan te pas.

Alleen als een rechter gewetensbezwaren heeft tegen toepassing van een bepaalde rechtsregel moet hij zich verschonen en dat gebeurt ook in de praktijk.

Maar het misverstand wordt pijnlijker: de rechters in dit Wilders-proces moeten partijloos zijn, aldus de Haagse rechtbank, omdat het gaat om een proces waarbij een Tweede-Kamerlid betrokken is.

Dit is ondoordacht. Want wanneer een Kamerlid niet berecht mag worden door rechters die een politieke overtuiging hebben, kan een lid van de wetgevende macht niet door willekeurig welke rechter berecht worden en doorbreken we de scheiding der machten. Zo krijgt de politiek op de lange duur de rechters die zij wil, zoals de Poolse regering nu voorstaat.

Een rampzalig voorbeeld biedt Turkije. Daar werden in 2015 rechters en officieren van justitie in de aanloop naar verkiezingen door het heersende Erdogan-regime vervolgd omdat ze deel zouden uitmaken van een staatsgevaarlijke organisatie. De werkelijke reden was dat ze vonnissen wezen die de rechtsstaat beschermden en daarom de regering niet welgevallig waren.

De Turkse opperrechter trad uit protest tegen dit beleid één maand voor het aflopen van zijn termijn af. Hij voorspelde dat het rechterlijk apparaat in Turkije wordt omgevormd tot een wraakmachine van de regering.

Waarom worden juristen toch in veel landen zo vaak door de heersende regimes vervloekt? Heel eenvoudig: het is de schuld van die vermaledijde scheiding der machten. Want goede juristen staan in voor de rechtsstaat — ongeacht hun eigen politieke opvattingen en zeker ongeacht wie er aan de macht is. En dat is op zijn minst lastig voor machthebbers.

De rechter moet vrij zijn in zijn oordeel en niet geselecteerd worden op zijn politieke overtuiging of het ontbreken daarvan. Rechtbank Den Haag, let op uw saeck!