Ferdinand Grapperhaus is hoogleraar Europees arbeidsrecht, Partner bij Allen & Overy, vader van vier, voetballiefhebber, ...

Lees meer

Gepost op 12 februari 2014

Kabinet en sociale partners gaan echte hervormingen arbeidsmarkt uit de weg

Deze week behandelt de Tweede Kamer in een moordend tempo het wetsvoorstel werk en zekerheid (WWZ) over de herziening van het ontslagrecht en de WW. Het is ironisch dat dit zo snel moet, terwijl het kabinet juist het oudste element van het ontslagstelsel wil behouden: de meer dan zeventig jaar oude preventieve toets bij ontslag.

Die vindt zijn oorsprong in de ‘Arbeits¬einsatz’. Toen de nazi’s inzicht wilden krijgen in de in Duitsland beschikbare werkkracht voor de wapenindustrie, vaardigden zij in 1939 een besluit uit dat werkgevers verplichtte voor elk voorgenomen ontslag toestemming te vragen aan een door het naziregime gecontroleerde instantie. Dat systeem werd tijdens de bezetting hier ingevoerd en werkte zo goed dat het na de oorlog werd gehandhaafd en opmerkelijk genoeg uitgroeide tot een icoon van onze ontslagbescherming.

Het is ook vreemd dat de herziening zo overhaast gaat omdat hier de goede werking van de arbeidsmarkt en daarmee ook de Nederlandse concurrentiepositie op het spel staat. Waarschijnlijk willen kabinet en coalitie, inclusief de drie bevriende oppositiepartijen, helemaal geen weloverwogen discussie.

Er rust al jaren een taboe op ons ontslagstelsel, beter gezegd op de almaar perversere werking ervan. Wie een vast contract heeft kan alleen na een moeizame procedure en tegen betaling van een relatief forse ontslagvergoeding worden ontslagen. Maar een flexwerker met een oproepcontract, of een tegen een afbraaktarief werkende en onverzekerde zzp’er heeft geen ontslagbescherming.

Zo helpt ons ontslagstelsel steeds meer de ‘insiders’: mensen met een vaste baan, een eigen huis en een redelijke opleiding. En biedt het steeds minder kansen aan ‘outsiders’: de vele mensen die hooguit een tijdelijk contract krijgen of zelfs helemaal aan de kant staan op de arbeidsmarkt, zoals jongeren met weinig of geen werkervaring, lageropgeleide niet-westerse allochtonen en werkloze ouderen. Ondertussen scoort Nederland al jaren niet meer dan gemiddeld op de Oeso-schaal voor arbeidsmobiliteit, loopt de jeugdwerkloosheid op en sluiten werkgevers met nieuwe werknemers nog maar zelden een vast contract.

Het kabinet en de sociale partners zeggen dat ze de panacee gevonden hebben voor deze arbeidsmarktproblematiek. In de toelichting op het wetsvoorstel werk en zekerheid zegt minister Asscher dat het wetsvoorstel het stelsel ‘eenvoudiger, sneller, eerlijker en minder kostbaar maakt voor werkgevers en meer gericht op het vinden van een nieuwe baan’. Maar die claims worden in het wetsvoorstel niet waargemaakt.

Ten eerste biedt het flexwerkers geen betere kansen op een vast contract. Als belangrijkste maatregel stelt het kabinet voor dat de maximale duur van opeenvolgende flexcontracten van drie naar twee jaar terug te brengen. Maar de Raad van State wees er al op dat het kabinet nergens bewijst dat meer flexwerkers daardoor een vast contract zullen krijgen.

De tekenen wijzen eerder de andere kant op. Zo gaf het Centraal Plan Bureau (CPB) onlangs aan dat de doorstroming van tijdelijke naar vaste contracten al geruime tijd en onafhankelijk van de crisis afneemt. Of werkgevers vaker een vast contract aanbieden hangt mede af van de vraag wat er gebeurt met de mate van bescherming bij vaste contracten. Die ontslagbescherming blijft, zo luidt de pijnlijke constatering van het CPB, in het wetsvoorstel-WWZ over het geheel genomen gelijk.

Ten tweede biedt het wetsvoorstel geen reëel uitzicht op meer werkzekerheid. Als het kabinet de arbeidsmarkt vergaand wil hervormen moet niet alleen het ontslagrecht worden herzien, maar moet het ook kritisch kijken naar de hoogte van het minimumloon, de loonstructuur, de inrichting van de cao en de activerende werking van sociale verzekeringen. Daarnaast zijn het op peil krijgen van kennis en vaardigheden, het systeem van verlofregelingen en de kwaliteit en toegankelijkheid van maatschappelijke dienstverlening (met name kinderopvang en onderwijs) van belang. In zijn huidige vorm heeft het wetsvoorstel geen enkel effect op de structurele werkgelegenheid, concludeert het CPB.

Ten derde: eenvoudiger en sneller wordt het zeker niet. Zo is er sprake van een stapeling van vormvereisten voor geldig ontslag. Ik noem één bizar voorbeeld: de aanzegging van de werkgever aan de werknemer dat hij diens schriftelijke toestemming wil om hem te kunnen opzeggen. Dit levert slechts een nietszeggend ritueel op. Ook met de aan de ontslagreden gestelde eisen is veel mis. Zo moet de werkgever als een werknemer verwijtbaar disfunctioneert, aantonen dat hij niet ergens anders in het bedrijf herplaatsbaar is.

Ten slotte veroorzaakt het wetsvoorstel een (mogelijke) stapeling van ontslagvergoedingen, waarbij het niet is uitgesloten dat hier de Duitse praktijk gaat ontstaan waar werkgevers in arren moede ontslagprocedures met een extra vergoeding afkopen.

Ondertussen wil de regering binnenkort een wet aannemen die het mogelijk maakt om doorstarten in faillissement en surseance volledig voor te koken, zodat de opkoper van de werknemers af is. Bij de achterdeur wordt de ontslagbescherming dus wél rustig uitgehold.

Het wetsvoorstel werk en zekerheid is een doolhof van vormvoorschriften en procedures dat de doelstellingen eenvoud, eerlijkheid en grotere kansen op werk nergens waarmaakt en de preventieve ontslagtoets in stand houdt. De kloof tussen insiders en outsiders blijft zo bestaan. Het is dus de vraag wat het nut is van deze herziening.

In de meeste West-Europese landen is er ontslagbescherming achteraf, met vaste ontslagvergoedingen en regels ter voorkoming van oneerlijk ontslag. Niemand durft zo’n stelsel voor te stellen in de Tweede Kamer. Als kabinet en sociale partners de kloof tussen insiders en outsiders willen verkleinen moeten ze een echte hervormingsdiscussie voeren.

In huidige vorm heeft de Wet werk en zekerheid geen enkel effect op de werkgelegenheid.

Gepubliceerd in Het Financieele Dagblad van 12/02/2014